Het is allesbehalve evident om de sfeer er in te houden! Al drie dagen aan een stuk regent het ouwe wijven en ook al belooft het weerbericht halsstarrig beterschap, ik moet mij in erg veel bochten wringen om Laura’s spirit op te krikken. Ook kan ik niet ontkennen dat ik vrees voor een nakende ontgoocheling.
Maanden voor ons vertrek uit België, nu een half jaar geleden, hadden we de komende dagen in Nieuw-Zeeland vastgelegd. Op aanraden van zowel vrienden als toeristische sites en gidsen boekten we overnachtingen voor wandelhutten in de bergen rond Queenstown. De Routeburn Track, een tocht van een kleine 40 km en één van de Great Walks van Nieuw-Zeeland, is de uitdaging voor de komende drie dagen. Ik heb vaak uitgekeken naar de eerste meerdaagse trektocht door de bergen die ik ooit zou ondernemen. Met alles wat je nodig hebt op je rug. En nu, de avond voor we vertrekken klaart het maar niet op. Integendeel, bij elke poging tot optimisme dat ik de groep in gooi, gaat het nog wat harder tokkelen op het dak van de camp kitchen.
Een bus brengt ons op dag 1 onder een twijfelend wolkendek uit centrum Queenstown naar het begin van de wandeling. De chauffeur neemt – zoals gewoonlijk op een Nieuw-Zeelandse bus – zijn taak als ambassadeur van dit prachtige landschap ter harte en maakt ons warm voor een viewpoint onderweg. “They call it the million dollar view. Need I say more?” Als we er voorbij rijden houdt hij wel even halt, maar niemand is bereid uit te stappen en de teruggekeerde regen te trotseren. De Million Dollar View zit verscholen achter wuivende ruitenwissers en een grijs wolkenpak. Glenorchy is het laatste dorpje vooraleer we de vallei van de Routeburn River inrijden. De laatste kilometers richting Routeburn Shelter, start van de wandeling, zijn onverhard. Als bij wonder valt de laatste druppel – zonder overdrijven – wanneer we de bus uit stappen. Het blijft drie dagen lang volledig droog.
Het eerste deel van de tocht neemt ons verder de vallei van de Routeburn in. De recente hoeveelheid regen draagt nog een hele tijd bij tot een goed aangezwelde stroom water die klaterend uit de bergen dondert. Enkele swingbridges brengen ons verschillende keren schommelend boven schuimend water van rechter- naar linkeroever en omgekeerd. Onder een indrukwekkend groen en nog zachtjes nadruppelend bladerdek, geflankeerd door watervallen en onder het toeziend oog van een hele groep onbekende en zeldzame vogels klimmen we beetje bij beetje tussen de steile hellingen uit richting de Routeburn Flats.
De dag is vroeg begonnen – rond 9u knoopten we onze wandelschoenen dicht – en we hebben nog de hele dag om tot de eerste slaapplaats te geraken, slechts een 8 kilometer verder en 600 meter hogerop. Genoeg tijd dus voor uitgebreide lunch stops. Goed, want de hoeveelheid eten die Laura heeft voorzien is aanzienlijk.
Om de paar honderd meter is mama kwijt. Turend naar het bladerdek, op zoek naar een zeldzame vogel vinden we haar terug. Verrassend wat je allemaal ontdekt als je er een beetje de tijd voor neemt.
Midden in die enkel door vogels bewoonde wildernis horen we toch plots een radiootje spelen. Enkele park rangers herstellen een stuk van het wandelpad. Naast het beheer van de hut is dat een deel van hun dagelijkse bezigheden. Elke dag wordt de Routeburn Track iets beter, iets breder, iets vlakker, iets minder gevaarlijk. Tot een lawine, een aardverschuiving of een aardbeving er anders over beslist. Want ook al ben je hier in een stukje ongerepte natuur, je wandelt er – tot spijt van de oude generatie – niet alleen door. De Routeburn Track is erg populair (vooral onder toeristen) en zodoende een niet onbelangrijke bron van inkomsten. De drukte is echter niet te vergelijken met de processie op de Tongariro Alpine Crossing, en eenzelfde tactiek (laat genoeg vertrekken) zorgt ervoor dat we, behalve op stop- en slaapplaatsen, amper een ziel tegenkomen.
Als we na een korte maar krachtige klim aan de Routeburn Falls Hut aankomen schuiven we onze dampende wandelschoenen bij in het rijtje en kiezen vier bedden uit in een slaapzaal vol stapelbedden. Er zou te zwemmen zijn in de watervallen, dus dat gaan we checken. Het water is veel te wild, en – om eerlijk te zijn – ook veel te koud. We warmen ons op aan de laatste warme zonnestralen van de dag.
Al zingend en slurpend van dampende soep proberen we de talen van een spandoek in de hut te ontcijferen. De ranger heeft voor wie het eerst 20 talen kan identificeren een reep chocolade uitgeloofd. Iedereen dus als bezetene aan de slag. We zijn goed op weg, maar moeten onze meerdere erkennen in een Israëlisch gezin met roots in Azië, dat bijgevolg de vreemde krullen, die elk “Welkom in de Routeburn Falls Hut” spellen, beter kan ontcijferen. De taal van het land waar we zijn, het Maori, herkennen ze echter niet. Toch een kleine blaam, vind een jaloerse ik.

Reacties